Gitarist, liedjesschrijver en zanger Manecas Costa was al jong bekend in zijn geboorteland Guinee Bissau. Costa (1976) was vooral geliefd om zijn sociaal geëngageerde teksten in een door interne conflicten geteisterd land. In zijn eigen composities - prachtige ballades en sprankelende, sensuele gumbe-ritmes - zingt hij in het Bissau Creools over migratie, corruptie en oorlog, zijn jeugd, zijn gestorven tweelingzusje, de liefde en natuurlijk ook de schoonheid van zijn geboorteland. Zijn sublieme gitaarspel, karakteristieke stem en gepassioneerde performance maken van Manecas Costa een zeer geliefd en gewaardeerd muzikant.
Manecas Costa heeft niet alleen een van de mooiste stemmen die de laatste jaren op het Afrikaanse continent zijn te horen, maar ook is hij een meer dan begenadigd gitarist. Zijn muziek ademt de rijke tradities van zijn geboorteland Guinee-Bissau. Prachtige melodieën en hypnotiserende ritmes, doorregen met de sprankelende gitaarlijnen.
Er zijn van die Afrikaanse landen waar je maar zelden iets van hoort. En als je er een keer iets over hoort is dat meestal weinig positief. Guinee-Bissau is zo’n land. De voormalige Portugese kolonie - ooit het centrum van het Mandinka-koninkrijk - ligt in een onbekende hoek van West-Afrika, ingeklemd tussen Senegal en Guinee. De laatste keer dat het land in de schijnwerpers stond was in 1998, vanwege de bloedige burgeroorlog die er woedde. Iemand die het landje (positiever) op de wereldkaart kan zetten is Manecas Costa, een singer/songwriter en voortreffelijk gitarist; een Afrikaanse ster in wording.
Costa verwierf bekendheid als gitarist in de band van de Angolees Waldemar Bastos. Vanuit Lissabon werkt hij nu aan een vruchtbare solocarrière. Ook is hij een veelgevraagd sessie- en studiomuzikant: hij werkte onder andere met Tama, Susheela Raman en Sara Tavares. Zijn derde soloplaat, het internationale debuut Paraiso di gumbe, uitgebracht op het BBC Late Junction-label, bevat een mix van indringende ballads en lyrische danstracks. Er wordt prachtig gezongen in het Portugees Creools, waarin Costa verhaalt over zijn jeugd in Guinee-Bissau en de huidige, trieste situatie in zijn geliefde thuisland (geweld, corruptie, armoede).
De muziek van deze charismatische West-Afrikaan is geïnspireerd op het pakkende gumbe, de nationale muziek van Guinee-Bissau. De gumbe is een polyritmische muziekstijl, die enkele eeuwen geleden ontstond in de Afrikaanse slavengemeenschappen op de Cariben en werd later door dezelfde slaven weer teruggebracht naar West-Afrika, waar de stijl werd vermengd met Portugese invloeden. Costa’s warme en indringende stem is uit duizenden te herkennen, zijn muziek (gespeeld met Guinese band) klinkt verfrissend hedendaags, akoestisch en elektrisch, met een flinke dosis percussie zoals waterdrums en verschillende traditionele gitaren. In de jaren negentig vluchtte Costa voor de oorlog uit Guinee-Bissau, via de muziek keert hij op intrigerende wijze terug naar zijn "gumbe-paradijs".